Persoonlijke instellingen
Herzie de Grondwet

Overleg:Artikel 120

Uit Herzie de Grondwet
Ga naar: navigatie, zoeken

Door op de 'knop' [antwoorden] te drukken kan de onderstaande wettekst worden gekopieerd die als basis kan dienen voor een opmerking.

Door de aangegeven tekst kan je snel aangeven of je het wel of niet eens bent met een voorgestelde wijziging.
Laat de : staan en verwijder enkel de tekst.

Door boven in de blauwe balk te kiezen voor Kopje toevoegen kan een nieuw kopje worden begonnen.



Inhoud

[nieuw][bewerken][antwoorden] Toetsingsverbod

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.


De Hoge Raad kan in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen treden.
Ik ben het hier mee eens.

Voorbeeld: "D66 wil de wet orgaandonatie wijzigen. Als er geen wilsbeschikking is zijn de organen automatisch van de staat." - Dan wil ik graag, als gewone burger, zonder juridische scholing, dat de Hoge Raad een dergelijk voorstel kan toetsen aan de Grondwet, bijvoorbeeld aan artikel 11, waarin staat dat "Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam."

Kortom. De Grondwet is er om ons, burgers, te beschermen tegen de overheid. Maar het huidige artikel 120 maakt van onze bescherming een puddingbroodje...
--Paula Anguita (overleg) 13 feb 2016 21:39 (UTC)

[nieuw][bewerken][antwoorden] Re: Toetsingsverlof -- Googaard (overleg) 14 nov 2014 14:29 (UTC)

  1. De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.
  2. Wetten vinden evenwel geen toepassing indien deze toepassing niet verenigbaar is met de artikelen 1, 2, derde en vierde lid, 3 tot en met 9, 10, eerste lid, 11 tot en met 17, 18, eerste lid, 19, derde lid, 23, tweede, derde, vijfde, zesde en zevende lid, 54, 56, 99, 113, derde lid, 114, 121 en 129, eerste lid.
[nieuw][bewerken][antwoorden] Re: Re: Toetsingsverlof -- Terence (overleg) 14 nov 2014 16:16 (UTC)
Ik ben het hiermee eens.
[nieuw][bewerken][antwoorden] Re: Re: Toetsingsverlof -- Wimvoermans (overleg) 14 nov 2014 16:17 (UTC)
Ik ben het hiermee eens.
[nieuw][bewerken][antwoorden] Re: Re: Toetsingsverlof -- Mo (overleg) 25 nov 2014 10:52 (UTC)
Ik ben het hiermee eens.
[nieuw][bewerken][antwoorden] Re: Re: Toetsingsverlof -- Gjg (overleg) 25 nov 2014 10:53 (UTC)
ik ben het hiermee eens
[nieuw][bewerken][antwoorden] Re: Re: Toetsingsverlof -- Reijer (overleg) 4 dec 2014 08:16 (UTC)
Ik ben het hiermee eens.

[nieuw][bewerken][antwoorden] Re: Toetsingsverlof -- Ljm.bolks (overleg) 20 dec 2014 15:38 (UTC)

  1. Een gerecht treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing op de beoordeling van de grondwettigheid van wetten aan de grondwetsartikelen 1, 2, derde en vierde lid, 3 tot en met 9, 10, eerste lid, 11 tot en met 17, 18, eerste lid, 19, derde lid, 23, tweede, derde, vijfde, zesde en zevende lid, 54, 56, 99, 113, derde lid, 114, 121 en 129, eerste lid.
[nieuw][bewerken][antwoorden] Toelichting:

Voorstel-Halsema rammelt behoorlijk. Zij lijkt te denken dat 'beoordeling van grondwettigheid' en het 'geen toepassing vinden van wetten' ongeveer hetzelfde is en gebruikt 'evenwel' om een tegenstelling aan geven, maar die tegenstelling is er niet: de rechter mag van Halsema op grond van het eerste lid nog steeds niet treden in de beoordeling, dus komen we nog steeds niet te weten welke wetten vanwege onverenigbaarheid geen toepassing vinden.

Kortom: het tweede lid dient een uitzonderingsbepaling voor wat betreft de beoordeling te bevatten en niet voor wat betreft de niet-toepasbaarheid. De niet-toepasbaarheid van wetten volgt immers vanzelf uit de beoordeling en het feit dat de grondwet in de normenhiërarchie boven de wet staat.

Verder dient 'rechter' 'gerecht' te zijn. Rechtspraak zou aan de door de wet aangewezen gerechten moeten zijn opgedragen en niet aan (individuele) rechters.

[nieuw][bewerken][antwoorden] Noodzakelijke begrenzing Artikel 120 -- Vrouwen Partij (overleg) 6 okt 2015 18:38 (UTC)

De bepaling “De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen” in artikel120 van de Nederlandse Grondwet leidt ertoe dat de wetgever, niet de rechter, bepaalt of de inhoud van de wet met de Grondwet overeenstemt. In de grondwet opgenomen op voorstel van de regering, teneinde uitdrukkelijk vast te leggen dat de interpretatie van de Grondwet aan de wetgever is voorbehouden, en dat de rechter daarin geen taak heeft, maakt dat Nederland een nieuwe vorm van apartheid kent. Hierdoor moet artikel 120 Grondwet begrensd worden.

Mens- en burgerrechten in Nederland worden sinds 1983 met het maken van wet- en regelgeving niet meer getoetst aan de grondwet. Het feit is dat een rechter, mits hij activistisch is, wet- en regelgeving en verdragen in Nederland niet kan toetsen aan de grondwet. Hierdoor staan, sinds de invoering van Artikel 120 Grondwet sinds 1983, de grondrechten van alle burgers onder druk, en worden de verzoeken van Nederlanders die zich willen beroepen op de grondwet en de grondrechten als onontvankelijk verklaard.

Dit afgezet tegen het feit dat het politieke en maatschappelijke debat in Nederland wordt gedomineerd door religieus en economisch denken. Het vanuit bedrijfsbelangenorganisaties door invoering van artikel 120 Grondwet wet- en regelgeving zonder enige gene inkopen, maakt de noodzaak van begrenzing van dit artikel hoogst noodzakelijk. Hierdoor staan deze brancheorganisaties en multinationals door het effectief lobbyen boven de mens- en burgerrechten in Nederland en bepalen zij o.a. wie plaatst neemt als regeerder in het Nederlands parlement.

Met als gevolg dat de democratie, die de grondslag is van onze rechtstaat is, zwaar onder druk is komen te staan. Want het legaliteitsbeginsel van de Nederlandse rechtstaat is gebaseerd op het principe dat de wetgever, de regering en het parlement worden samengesteld door middel van een democratische proces. Dankzij artikel 120 Grondwet staan de belangrijkste burgerrechten buiten werking en is er sindsdien en met ingang van de kieswet geen gelijke toegang tot de kiezer.

De huidige kieswet uit 1989 zorgt ervoor dat zittende partijen een bijzonder riante financiering krijgen om zich o.a. te profileren tijdens verkiezingen. Zij krijgen, ongeacht politieke kleur, ongelimiteerde toegang tot de kiezer en kunnen zelf bepalen, zonder enige vorm van controle, hoe de Nederlandse staat hen financiert. Daarnaast hoeven zij niet steeds weer opnieuw te voldoen aan een omvangrijke entree fee, administratie en bureaucratische rompslomp, voordat zij zich verkiesbaar kunnen stellen in Nederland. Hierdoor staat het gelijkheidsbeginsel onder druk en kan er niet gesproken worden van dat de regeerder democratisch verkozen is of democratische processen volgt om tot wet- en regelgeving te komen. Dit dankzij artikel 120 van de Nederlandse grondwet.

Nieuwe partijen, die vaak nieuwe belangen vertegenwoordigen, moeten daarentegen steeds weer een entree bedrag van €11.250,- betalen, krijgen, zelfs indien georganiseerd door de overheid, geen gelijke toegang tot de kiezer. Die georganiseerde ongelijke toegankelijkheid tot de kiezers voor nieuwe belangen en partijen toont aan dat het legaliteitsbeginsel van de rechtstaat in Nederland zwaar onder druk staat en eigenlijk onhoudbaar is geworden.

Doordat de “verkozen wetgever”, die wet- en regelgeving laat inkopen en bedrijfsbelangen en wet- en regelgeving niet laat toetsen aan de grondwet, is een menswaardig samenleven voor dit type politici tot een kostenpost geworden. Iets dat nu, door de economische, ecologische en sociaal maatschappelijke crisis, maakt dat mensen zichtbaar niet meer gelijkwaardig zijn. Niemand is gelijk, maar als mensen niet meer gelijke toegang hebben heeft dit ernstige effecten op de samenleving.

De gevolgen van het niet toetsen maakt dat de huidige juridische en fiscale inrichting in Nederland de veroorzaker is van ongelijke toegankelijkheid tot werk, inkomen, zorg, onderwijs, voeding, wonen en rechtspraak. De invloed van lobbyisten op de samenstelling van de wetgever maakt pijnlijk duidelijk dat er haast geen sprake meer is van een legaliteitsprincipe, waardoor de rechtstaat erodeert. Dat is onwenselijk voor burgers en hun rechtszekerheid.

Dit gegeven heeft er toe geleid dat de grondwet, met name artikel 1 t/m 24, voor de burger buiten werking staat en dat artikel 91, 92, 93, 94 en 120 Grondwet, gecombineerd met de huidige kieswet en de wet partijfinanciering, de samenleving zo hebben gevormd dat er sprake is van een nieuwe vorm van apartheid.

In het Nederland van nu zou er voor de burger een onbeperkt recht en rechtszekerheid moeten zijn. Wet- en regelgeving en de invloed van de grondwet is te allen tijde een leidraad voor de leefbaarheid van de Nederlandse samenleving.

Daarom zou het wetsvoorstel Halsema in z’n geheel in eerste instantie aangenomen moeten worden, met daarbij nog een toevoeging dat artikel 120 Grondwet begrensd dient te worden op de bepaalde punten. Want de burger dient in Nederland te allen tijde recht te hebben op rechtszekerheid met betrekking tot artikel 1 t/m 24 van de Nederlandse grondwet, ondanks de EVRM en VN verdragen. De Nederlandse burger zou er decentraal bij iedere rechter op moeten kunnen vertrouwen, men moet zich erop kunnen beroepen dat gelijkwaardigheid en gelijke toegankelijkheid tot mens- en burgerrechten in Nederland actief beleefd worden en uitgevoerd worden door de wetgever en de uitvoerende macht. Dit zonder dat een ingewikkelde route gevolgd wordt, die ook veel geld kost, een taai juridisch proces is en geen rechtszekerheid biedt aan de Nederlandse burger. De route die mensen nu via het EVRM en het VN verdrag bewandelen biedt de burger tot op heden geen rechtszekerheid, maar maakt dat het recht van de burger beperkt wordt door de ontoegankelijkheid van het proces.

Wet- en regelgeving dienen te allen tijde door iedere rechter, eigenlijk per direct, dan ook minimaal op de mens- en burgerrechten getoetst te worden. De rechterlijke macht moet hier niet activistisch in hoeven te zijn. Het vormt namelijk één van de belangrijke pijlers van onze democratische rechtstaat. De rechtspraak draagt bij aan de instandhouding van de rechtstaat en het vertrouwen van de burger in het recht. Daarvoor is essentieel dat rechters blijvend vertrouwen en gezag blijven genieten in de samenleving.

De rechters zouden vanuit de NVvR-RECHTERSCODE zichzelf nu al activistisch moeten gaan opstellen voor het behoud van de rechtstaat. Echter, gezien de politieke invloed en de invloed van Artikel 120 Grondwet, is deze functie steeds verder aan het afglijden. Dit met dank aan de (soms politieke gecorrumpeerde) houding van de juristerij om de regeerder te behagen. Gesteld kan worden dat ook door artikel 120 Grondwet de trias politica hierdoor zwaar onder druk staat.

Hierdoor dienen artikel 91,92, 93, 94 en 120 van de Nederlandse grondwet beperkt te worden. In die zin door wet-en regelgeving te allen tijde vanuit de grondrechten en de rechtszekerheid van de burger te handhaven. Dat houdt in dat er een rechtsgeldigheid moet worden gegarandeerd om de Europese wet- en regelgeving die aanvullend werkt voor de rechtszekerheid van burgers, te bewaken. ? intensiever betrokken moeten worden bij de Nederlandse wet.

Hierdoor ziet het nieuwe art.120 Grondwet er als volgt uit.

Art.120 invoering van de bevoegdheid tot toetsing van wetten aan een aantal bepalingen van de Grondwet door de rechter.

120.1 De burger dient in Nederland te allen tijde recht te hebben op rechtszekerheid m.b.t .artikel 1 t/m 23 Grondwet (dat zijn de mens- en burgerrechten). Alle verwijzingen in alle wetboeken dienen de verwijzingen te krijgen m.b.t bevoegdheid van wet- en regelgeving van 1/m 23 Grondwet dat deze getoetst moeten worden bij het maken van wet- en regelgeving en getoetst kunnen worden door de rechter als een Nederlandse burger zijn grondrechten wil aanspreken, omdat deze fundamenteel aangetast worden door een bedrijf of organisatie, de regeerder, de staat, of een uitvoerder van de wet.

120.2 De burger dient in Nederland te allen tijde. recht te hebben op rechtszekerheid m.b.t. artikel 1 t/m 23 Grondwet en alle verwijzingen in alle wetboeken met betrekking tot het niet toetsen door de rechter ervan dienen verwijderd te worden met de bevoegdheid van wet- en regelgeving als 1/m 23 grondwet. Met die verwijzing dat iedere rechter in Nederland deze kan toetsen. Met een Hoger hof dat toekijkt op de gelijkwaardigheid van toetsing. Dit hof moet toezien dat er geen sprake is van een politieke kleuring, maar dat rechtspraak geschiedt vanuit een gelijke toegankelijkheid en een neutraal overheidprincipe. Rechters die deze schenden dienen dan ook direct uit hun ambt gezet te worden.

120.3 artikel. 91, 92 , 93, 94 en 120 Grondwet mag niet worden gebruikt om de rechtszekerheid van burgers te beperken en het onbeperkt recht op recht te verminderen. De vorming en toetsing van wet- en regelgeving moet, daar waar er sprake is van Europees recht voor burgers, te allen tijde voorrang hebben op de invloed die uitgaat van art 91 lid 3, in die zin dat Europese aanvullende wet- en regelgeving die aanvullend is en de rechtszekerheid versterkt buiten invloed staat van artikel 91 lid 3 en dient meegenomen te worden in de toetsing van wet- en regelgeving in Nederland.

120.4 In zake rechterlijke, bestuurlijke en politieke integriteit n.a.v. artikel 50, 60 en 63 Grondwet is het van belang dat er een heldere definitie komt van wat trouw aan de grondwet is. Het is van belang dat transparant is wat trouw aan de grondwet inhoudt voor politici en alle andere ambtenaren, inclusief de koning en de regent van de Nederlandse staat. Voor de koning en de regent van de Nederlandse staat is het van belang dat er meer transparantie komt. Zeker met betrekking tot hun functie en de wijze waarop de financiering maakt dat zij grote invloed uitoefenen op de staat en zij de mogelijkheid hebben de grondwet versneld naar hun hand kunnen zetten.

120.5 Het verwijderen van de verticale doorwerking van de algemene bepaling van artikel 11 en art 12 van de grondwet.

[nieuw][bewerken][antwoorden] Voorstel voor Toetsingsrecht -- Sent G. Wierda (overleg) 24 okt 2015 12:38 (UTC)

De soevereiniteit van de Wetgever en de Staat diende – sinds 1806 (koning Lodewijk Napoleon Bonaparte), 1814 (koning Willem I van Oranje), 1848 (Grondwet), … – de absolute positie van de Koning en de beleidvormende rol van de leden van de Staten-Generaal en regering. Deze soevereiniteit waarborgt de rechtsstabiliteit van het land. Gezamenlijk met het legitimiteitsbeginsel, verwoord in de attributie en delegatie van machten aan openbare lichamen en ambtelijke functies, is de Grondwet (e.a.) een cruciale schakel tussen Koning en (algemene) wetten.

Anno 1983 (Herziene Grondwet), 1989 (Kieswet) en 2015 is de positie van de burger binnen de democratische rechtstaat verschoven; de burger verlangt meer inspraak en verantwoordelijkheid. In internationaal verband zijn de Mensenrechten (i.c. EVRM, IVBPR, UVRM) een zeer prominente rol gaan spelen. Vanwege het in Nederland opererende toetsingsverbod, wordt de rechtzoekende burger verplicht zich te beroepen buiten de Nederlandse wet. Vanuit rechtsperspectief van de burger en jurist is de positie van de Grondwet een 'dode pier' (Brenninkmeijer) geworden.

Met de verschuiving van een toetsingsverbod naar toetsingsrecht, verschuift de hoogst beroepbare wet weer naar het Nederlands recht en herbevestigt het de soevereiniteit van de Nederlandse Staat, de beroepbaarheid van burgerrechten (welke niet/niet-synoniem/indirect gedekt worden door EVRM) en de fundamenten van staatsinrichting.

Met een toetsingsrecht krijgt zowel de Staat, de burger en de rechter weer de volwaardige en controlerende macht die de gelijkwaardigheid in onze democratische rechtstaat garandeert, zoals Montesquieu met zijn Trias Politica bedoelde. Ook de soevereine positie ten opzichte van Europa verplaatst van een zwakke naar een individueel sterke onderhandelingspositie. Toetsing door de rechter sluit niemand uit, zowel nationaal als internationaal, maar reduceert het machtsspel en de lobby tot een 'gesprek van argumenten'.

Het huidige toetsingsverbod werkt voorbij haar doel, met als gevolg dat er amper jurisprudentie is ontwikkeld op het gebied van de Grondwet. De burger kan zich niet beroepen op de rechten die ze denkt te hebben ["Zonder rechter geen rechten — zonder wet geen straf(gevolg)"].

Om een toetsingsrecht mogelijk te maken — variërend van beperkte toetsing, zoals het wetsvoorstel van mevr. Halsema en de hierbovenstaande VrouwenPartij, tot volledige toetsing— moet er gekeken worden naar de randvoorwaarden. Er dient een Wet Constitutionele Toetsing (omwille c.art. 120b Gw) te komen waarin de huidige toetsing door AARvS en Staten-Generaal wordt gecodificeerd. Hieraan toegevoegd de schrapping van de beperkingen wie het initiatief tot toetsing mag nemen en/of het openstellen van de gang naar de Vierde Kamer van de Hoge Raad. Dit alles uitgebreid met de "strafbepalingen" en daadkracht voor de uitspraak-doende-rechter. Evenals de definitieve afsplitsing van ABRvS tot zelfstandig en onafhankelijk rechtsorgaan.

Hieronder vind u mijn voorstel voor Toetsingsrecht, waar "c.art." staat voor "concept artikel":

[nieuw][bewerken][antwoorden] Toetsingsrecht (c.art. 120 Gw)

Op verzoek treedt de rechter in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

[nieuw][bewerken][antwoorden] Beperkingssystematiek (c.art. 120a Gw)

  1. Beperkingen van grondrechten gaan niet verder dan het doel van de beperking vereist.
  2. De kern van grondrechten wordt niet aangetast.
(Bron: Rapport Staatscommissie Grondwet, 2010) (EVRM art. 18; art. 3:3 Awb) (verbod op détournement de pouvoir)

[nieuw][bewerken][antwoorden] Constitutionele Toets (c.art. 120b Gw)

  1. Ieder artikel en wet dient uitgebreid getoetst te worden aan de Grondwet, op meerdere momenten:
    1. advies door de Raad van State in navolging van art. 82 Gw,
    2. in de behandeling van de wet door de Staten-Generaal,
    3. (i.c. c.art. 120 Gw) op verzoek bij en door de rechter.
  2. De wet omschrijft de minimale competentievoorschriften, doelcriteria en procedurevoorschriften. Hierbij wordt gekeken naar proportionaliteit, geschiktheid, noodzakelijkheid, evenredigheid; waarborging van het kernrecht; internationale verdragen (art. 91 t/m 94 Gw) en Grondwet (c.art. 120 Gw); invloed op, rol en integriteitspositie van betrokken rechtspersonen; de relatie en interactie met andere artikelen; en verder bepaalde criteria. [⇒ Wet Constitutionele Toetsing]
  3. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake (lid 2) alleen aannemen met ten minste tweederde van het aantal uitgebrachte stemmen. [i.c. art. 63 Gw]
  4. Ter uitbreiding van de Memorie van Toelichting wordt de Constitutionele Toets (lid 2) volgens bij wet gesteld model opgesteld en gepubliceerd. Jurisprudentie zal de invulling van het model verder aanvullen. [⇒ Wet Constitutionele Toetsing, ⇒ Wet Open Overheid]
  5. Wijzigingen van wet onder bescherming van art. 63 Gw wordt bij voorbaat getoetst door de onafhankelijke rechter. [Bescherming belangen buiten art. 50 Gw & bestrijding schijn van corruptie]

— © 2015 Sent G. Wierda, toetsingsrecht.nl, Sent (overleg) 24 okt 2015 12:38 (UTC)